Meer zelfvertrouwen voor beelddenkers door de juiste feedback.

0

Het komt vaak voor dat beelddenkers weinig zelfvertrouwen hebben of zelf faalangst ontwikkelen.

Hoe komt het dat beelddenkers gevoeliger zijn voor faalangst?

Een Beelddenker verwerkt zijn informatie anders.
Beelddenkers leren vanuit het geheel al associërend naar het antwoord of de oplossing. Dit is niet een proces dat netjes op volgorde gaat. Dit is een associatief, chaotisch proces. Een Beelddenker heeft dus duidelijke structuren en kaders nodig om het overzicht in zijn chaotische wereld te houden.
Binnen het onderwijs wordt veel nadruk gelegd op volgorde en details en het verwerken van seriële informatie. Dit is voor beelddenkers ontzettend lastig. Details onderscheiden is niet de sterkste kant van een beelddenker.

Een beelddenker zoekt overeenkomsten vanuit het geheel, niet naar verschillen.

Omdat het onderwijs niet goed aansluit bij hun manier van informatie verwerken, verliezen zij hun zelfvertrouwen en ontwikkelen beelddenkers vaak faalangst.
Het lukt een beelddenkend kind niet goed meer om onder stress zijn voorkeurs denken te hanteren. Hij wordt gedwongen door de stress zich op de details te richten. Met als resultaat dat een kind blokkeert , waardoor de faalangst ontstaat.

Een beelddenker communiceert anders

Een Beelddenker voelt zich vaak onbegrepen omdat hij anders communiceert . Als een beelddenker een verhaal vertelt, bevindt hij zich in het beeld en als de taaldenker een verhaal vertelt, kijkt hij tegen een beeld.

Hoe vertelt een taaldenker zijn verhaal?

Als een taaldenker iets wil vertellen, stelt hij zich een plaatje voor van een situatie.
Hij kijkt tegen een beeld aan. Het beeld geeft hem steun om een verhaal netjes op volgorde te vertellen. Hij doorloop het denkproces stap voor stap. Netjes van het begin tot het eind.
Anders gezegd: Een taaldenker visualiseert een beeld waar hij tegenaan kijkt als geheugensteun om iets te vertellen. Hij bedenkt het plaatje bij zijn woorden.

Hoe vertelt een beelddenker zijn verhaal

De beelddenker bevindt zich in zijn beeld. Om zijn ruimtelijk beeld te kunnen verwoorden moet hij zichzelf buiten het beeld of gebeuren plaatsen. De beelddenker bekijkt het beeld en verwoordt dan wat hij `ziet’. Dat is niet een verhaal op tijd en volgorde, maar het is een chaotisch verhaal. Dit gebeurt omdat het denkproces door de associatiebeelden chaotisch verloopt. Niet netjes met een kop en een staart.
Anders gezegd: Een beelddenker staat in het beeld en zet zich dan buiten het beeld om de zaak te verwoorden. De beelden is de enige mogelijkheid om tot de juiste woorden te komen. Hij moet de woorden bij het plaatje zoeken. Dit kost tijd en veel concentratie.

Hoe kun je beelddenkers thuis ondersteunen om meer zelfvertrouwen te ontwikkelen?

Door op de juiste manier feedback te geven, ontwikkelt een kind zelfvertrouwen en leert het kind zijn sterke en zwakke kanten kennen. Dit is belangrijk om krachtiger in het leven te staan.
Met feedback reageren je op wat iemand gezegd of gedaan heeft.

De manier waarop feedback wordt gegeven is heel belangrijk voor dit proces om als kind sterker in de wereld te staan. Een kind leert: `Ik mag zijn wie ik ben!`

Hoe geef je de juiste feedback?

Feedback geven kan op vier manieren
Het kan zowel negatieve als positieve feedback zijn en taakgerichte danwel persoonsgerichte.

Taakgerichte feedback

Taakgerichte feedback is een reactie die alleen gericht is op de gedane taak. Een positieve reactie op een taak is bijvoorbeeld: `Deze opdracht heb je goed gedaan.`
Een negatieve reactie op een niet goed uitgevoerde taak kan zijn: `Deze opdracht heb je niet zo goed gemaakt.`

Persoonsgerichte feedback

Persoonsgerichte feedback is een reactie die gericht is op de persoon. Het is belangrijk dat persoonsgerichte feedback altijd positief is.
Bij positieve persoonsgerichte feedback laat je het kind in zijn waarde. Positieve persoonsgerichte feedback is bijvoorbeeld: `Je bent altijd erg behulpzaam.`
Negatieve reactie op de persoon kan bijvoorbeeld zijn: `Wat ben je vervelend!`
Nee… het kind is niet vervelend, zijn gedrag is vervelend. Dus benoem zijn gedrag.
Zeg bijvoorbeeld: `Ik vind je gedrag vervelend!`
Probeer negatieve persoonsgerichte feedback om te zetten van de persoon naar het benoemen van het gedrag.

Evenwicht in positieve en negatieve reacties.

Het is belangrijk een goed evenwicht te vinden tussen positieve en negatieve reacties. Te veel negatieve reacties maken het kind onzeker met als gevolg de reactie: `Ik doe toch nooit iets goed!`.
Maar door te veel positieve reacties wordt het kind onbedoeld onder druk gezet. Hij zal denken dat hij geen fouten mag maken.
Reageer in eerste instantie positief op een kind als hij iets zegt of heeft gedaan. Daarna kan er negatieve taakgerichte feedback volgen. Het is de bedoeling dat het kind iets leert van deze negatieve taakgerichte feedback.

bron: beeldenbrein

About Author

Geef een reactie