Weet jij op welke vier manieren kinderen dingen leren?

0

We hebben ons geheugen nodig om te kunnen leren. Hierin slaan we informatie op en kunnen het weer oproepen. Zonder het geheugen kunnen we niet zien, luisteren of denken. Maar zonder het geheugen kunnen we ook niet leren. We maken gebruik van het kortetermijngeheugen en het langetermijngeheugen.

Het kortetermijngeheugen

Het kortetermijngeheugen kan informatie kort vasthouden. Ongeveer 20 seconden kun je dingen onthouden. En gemiddeld kan het kortetermijngeheugen ongeveer 7 eenheden vasthouden. Wanneer je een telefoonnummer wilt onthouden wat je opzoekt, kun je kort 7 cijfers onthouden. Van nature cluster je de cijfers tot bijvoorbeeld vier eenheden. Het kort onthouden van een telefoonnummer wordt dan al makkelijker.

Voorbeeld:
Het telefoonnummer 06 72884314 bestaat uit 8 cijfers en 06 er voor. Dat zijn behoorlijk wat eenheden om kort te onthouden. In elke geval moet je de eenheden onthouden totdat je het nummer hebt ingetoetst. Gaan we het telefoonnummer clusteren in bijvoorbeeld 06  72  88  43  14, dan hebben we 4 eenheden plus 06. Dit is al veel makkelijker te onthouden.

Het langetermijngeheugen

In het langetermijngeheugen kun je informatie lang opslaan. Het is dus belangrijk om lesstof in het langetermijngeheugen te krijgen. Er zijn vier mogelijkheden om lesstof in het langetermijngeheugen te krijgen.

Leren

Informatie komt eerst binnen in het kortetermijngeheugen. Pas daarna kan de informatie `doorschuiven` naar het langetermijngeheugen.

Dat gebeurt op vier manieren:

  1. Leren door herhaling
  2. Leren door het bijzonder maken
  3. Leren door koppeling emotie
  4. Gebruik minimaal drie leeringangen.

Leren door herhaling

Onderzoek heeft uitgewezen dat we de lesstof  minimaal 200 keer moeten herhalen om de lesstof te kennen. Kinderen vinden dit over het algemeen minder leuk! Toch wordt deze manier nog veel toegepast in het onderwijs. Rijtjes opdreunen, tafels opdreunen, opschrijven en veel herhalen. Een kind raakt niet echt gemotiveerd door het (200 x) opdreunen van een tafel.

Leren door het bijzonder maken

Als we iets bijzonders aan de lesstof koppelen, maken we het geheugen `wakker`. Door informatie bijzonder te maken, krijgt het aandacht. Aandacht dwingt de betrokken neuronen in het brein om vaker af te gaan. Hoe vaker neuronen afgaan, hoe sterker de verbindingen met de andere neuronen worden. We kunnen informatie beter onthouden en oproepen. Je maakt leerstof bijvoorbeeld bijzonder als je er een rijmpje aan koppelt. Bijvoorbeeld: `Delen door nul is flauwekul!`
Of je koppelt aan een woord een associatiebeeld, daardoor wordt `gewone` informatie opeens opvallend en betekenisvol. Het koppelen van een associatiebeeld aan leerstof sluit prima aan bij de talenten en manier van informatieverwerking van een beelddenker.

Leren door koppeling emotie

Emotionele ervaringen worden makkelijker in het geheugen opgeslagen. Dit wordt veroorzaakt doordat emotie de aandacht versterkt. Emoties als verdriet, angst, boos of blij zorgen ervoor dat de opgedane prikkels direct doorschieten naar het langetermijngeheugen. Denk maar eens aan een klein kind dat niet aan de kachel mag komen van zijn moeder. Het kind voelt toch aan de kachel. `Au!` Zijn moeder heeft gelijk, hij vergeet het nooit meer.
Probeer emotie te koppelen in lessituaties, onder andere door beeld. Pak natuurlijk wel positieve emoties. Want trauma`s ontstaan ook vanuit dit principe, vanuit negatieve emoties.

Gebruik zoveel mogelijk leeringangen, minimaal drie.

Dit betekent: bied leerstof visueel (ogen) èn auditief (oren) èn kinesthetisch (doen) aan.
Op deze manier legt een kind een stevige verbindingen aan in het brein. Èn je sluit aan met lesgeven bij de beelddenker , de taaldenker en het kind dat leert door te doen.
De beelddenker zal door het aanbieden van drie leeringangen zijn sterke leeringang, het visuele, kunnen benutten en zijn zwakke leeringang, het auditieve, leren ontwikkelen en versterken.

Het kortetermijngeheugen versterken

`Ik ga op reis en neem mee.`

Voor veel mensen een bekende oefening: `Ik ga op reis en neem mee.`

Hoe ging dit ook al weer?
We doen deze oefening met een aantal kinderen. De eerste zegt: `Ik ga op reis en neem mee….koffer…`
Het volgende kind zegt `Ik ga op reis en neem mee…zwembroek…koffer…`
Derde kind zegt: `Ik ga op reis en neem mee…snorkel…koffer…zwembroek…`
Vierde kind zegt: `Ik ga op reis en neem mee…zonnebril…koffer…zwembroek…snorkel…`
Enz.

 

About Author

Geef een reactie