Het creatieve brein van een beelddenker

2

Het valt mij voor het eerst op dat mijn zoon creatief met woorden omgaat als hij vier jaar is. We wonen net in Pijnacker. De Randstadrail is nieuw voor hem. Elke keer als hij de metro ziet, roept Tijs: ‘Dag, randkasteel!’

Hij kijkt dan nog vaak naar het tv programma ‘Zandkasteel’.
We fietsen regelmatig langs de kassen tussen Pijnacker en Zoetermeer. Een aantal veulens springen door de wei.
‘Oh mama, kijk eens wat lief al die ponypaardjes.’

In de herfst lopen we door het bos en zoeken kastanjes, beukennootjes en eikels om een mooi herfststukje van te maken. We komen met een volle tas eikenootjes thuis. Ik weet nog steeds niet of hij nou de eikels, de beukennootjes of allebei bedoelde.

Wie het hoogst gooit mag beginnen

Er komt een vriendinnetje bij ons spelen. We gaan ganzenborden en wie het hoogst gooit mag beginnen. Eerst gooit zijn vriendinnetje een vijf. Ik gooi een twee. Tijs pakt triomfantelijk de dobbelsteen en zegt: ‘Ik mag beginnen.’

Ondertussen gooit hij de dobbelsteen zo hoog dat deze bijna door het plafond heen gaat.
‘Wat doe jij nou?’ vraag ik geschrokken.
‘Je zei toch wie het hoogst gooide?’
Nu wij weten dat Tijs alles letterlijk neemt en erg creatief is met woorden, kunnen we hier vaak om lachen.

Op een middag sta ik in de keuken. Een oude man wandelt langzaam, met een wandelstok, langs ons huis terwijl hij heel erg naar binnen kijkt. Ik krijg de neiging om te zwaaien maar ik ga door met het snijden van de groenten.

‘Jeetje Tijs’, zeg ik tegen mijn kind dat op de bank zit. ‘Er loopt een man langs en die werpt een blik door het raam, joh!’
Voordat ik het in de gaten heb, zit mijn kind onder de eettafel en roept angstig dat ik ook moet komen
‘Hoezo?’ vraag ik.
‘Straks raakt dat blik jouw hoofd of zo!’

Het duurt even voordat ik door heb wat hij bedoelt. Daarna moet ik zo lachen om mijn kind dat met zijn slungelige lijf onder de tafel dubbel gevouwen zit en bang is dat de blik die de oude man door het raam werpt een écht blik is. Mijn kind kan er, helaas niet meteen om lachen.

We lopen in het dorp en zien een buurtbewoner met haar dochter lopen. Tijs stoot mij aan en zegt:
‘Dat is toch Wind die daar loopt?’
Ik moet even nadenken, want die naam komt me niet bekend voor. Ik weet wie ze is en dat ze een aparte naam heeft.
‘Nee joh!’ zeg ik even later. ‘Dat meisje heet Storm.’

Tijs heeft weer een keer zin in een lachebekkie. Ik begrijp niet wat hij bedoelt en probeer daar achter te komen. Maar hoe Tijs zijn best ook doet om mij uit te leggen wat hij graag wil;  ik sta voor een raadsel.

Dan opeens zegt  hij:  ‘We kochten het toen in die winkel die zo stonk.’
En dan opeens weet ik wat hij bedoelt. De viswinkel die lekkerbekjes verkoopt!
Tijs heeft op een ochtend een leuke combinatie aan van een korte broek met shirt dat er perfect bij past. Alleen zijn sokken staan er echt niet bij.
‘Doe effen sokken aan, joh! zeg ik tegen hem.
Hij kijkt me verbaasd aan: ‘Helemaal niet. Ik doe de hele dag sokken aan en niet effe!’

Zomaar een greep uit het creatieve brein van mijn kind. Het maakt Tijs bijzonder en geeft  veel situaties een vrolijk tintje. Voor Tijs is het niet altijd prettig dat hij niet direct begrepen wordt of dat anderen moeten lachen om zijn, niet bedoelde, grappige woordspelingen.

Ik hoop alleen dat hij onbevangen blijft en het beelddenken ooit als meerwaarde zal gaan zien. Want juist door het ‘anders’ denken is hij creatief, gevoelig en bijzonder.

About Author

In 2012 kwam Aimee Pijl er per toeval achter dat haar kind wel eens een beelddenker kon zijn. Een nieuwe wereld ging voor haar open open en veel puzzelstukjes vielen op hun plek. Door over haar ervaringen van beelddenken te schrijven op haar website www.kind-in-beeld.com

2 reacties

  1. Heerlijk herkenbaar dit! Ik kan je zo een hele rits voorbeelden geven van mijn zoon (aders zijn bloeddraden en een tafelkleed is een tafelbedekker, bijvoorbeeld). Af en toe kan ik idd echt niet begrijpen wat hij bedoelt, maar na wat extra uitleg van hem, snap ik het meestal uiteindelijk toch. Oh ja, deze is ook wel leuk: toen hij drie was, vertelde hij dat er een mokkel door het raam naar binnen was gevlogen. Hij bedoelde een hommel…

    Ga alsjeblieft door met deze columns, ik geniet er elke keer weer van.

    • Hahaha… Geweldig! Mokkel ipv hommel. En hoe ze aan zo’n ‘verspreking’ komen? Ik denk door de vele associaties, snelle denken, de vele beelden die door het hoofd razen en het creatieve denken. Een bijzondere eigenschap die beelddenkers o.a. Zo bijzonder maken.
      Dank je wel voor je compliment. Altijd fijn om te horen dat mijn blogs gelezen en gewaardeerd worden. En voorlopig ben je nog niet van me af😉

Geef een reactie